De tureluur
De tureluur is het kleine neefje van de grutto, zo'n 26 tot 30
centimeter groot. Hij heeft opvallend oranjerode poten en een lange,
rechte, aan de basis rood gekleurde snavel. In het vliegbeeld vallen
vooral de witte stuitwig en de witte onderzijde van de vleugels op. De
rest van het verenkleed is grijsbruin gestreept.
Tureluurs zijn opvallende, luidruchtige, zenuwachtige beestjes, die hun
naam alle eer aandoen. In de broedtijd zitten ze vaak op paaltjes of
hekken in het weiland te jodelen. Ze broeden in vochtig grasland met
hoge grondwaterstand, langs begroeide slootkanten, op kwelders en in
grassige heide. Buiten het broedseizoen verzamelen ze zich in grote
groepen op de Wadden en langs de kust. Hun roep is een muzikaal,
fluitend 'tiu-uu', de zang een telkens herhaalde afwisseling van lange
tonen en korte trillers. Bij onraad klinkt een hoog 'tuut-tuut'.
Tureluurs vertonen een prachtig baltsgedrag, waarbij ze boogjes door de
lucht trekken of met uitgespreide staart achter elkaar aanlopen. Na de
paring volgt een uitgebreid naspel, waarbij het mannetje met een naar
zijn partner toegewende staart en van haar afgewende blik om haar heen
blijft draaien.
Het nest wordt gemaakt in een flinke graspol, waarin de vogel met zijn
poten een goed verscholen kuiltje uitkrabt. Het hoge gras groeit er
omheen en daardoor valt een tureluursnest niet of nauwelijks op. Er
worden vier bruingespikkelde eieren gelegd, die gemiddeld 24 dagen
worden bebroed. Beide partners broeden om beurten. Tureluurs zijn
tamelijk trouw en zoeken elkaar elk broedseizoen weer op, al komen
over- spel en echtscheidingen wel voor. De jongen zijn tamelijk
bijdehand en al na een week of vier zelfstandig.
Bron: IVN Vecht en Plassengebied