De koekoek
Het echtpaar koekoek nestelt niet, broedt niet en voert zijn jongen
niet. Dat is de eerste gedachte van bijna iedereen die een koekoek
hoort, of, als hij of zij geluk heeft, ziet. Van de 128 koekoeksoorten
op de wereld zijn er echter maar 50 echte broedparasieten. De enige
vogels die dat sporadisch ook doen zijn spechten en spreeuwen. De acht
tot twaalf eieren die ons inheemse koekoekswijfje legt, deponeert zij
in verschillende nesten, waarbij die van pleegoudersoorten die haar
zelf hebben grootgebracht steeds de voorkeur genieten. Zelfs de eieren
die zij in die nesten legt hebben dezelfde kleur als die van de
gastvrouw ("de waard-vogel"), waarbij er 15 tot 20 kleurvariaties
mogelijk zijn, hoewel per wijfje altijd dezelfde kleur.
De aanpassing gaat zelfs nog verder: het koekoeksei heeft een twee maal
minder breekbare schaal dan een normaal ei, het kan aanzienlijk langer
tegen afkoeling dan dat van de waardvogel en het hoeft slechts 11 tot
15 dagen bebroed te worden. Het koekoekskuiken komt dus voor de eigen
kuikens uit en heeft dus alle tijd om de aanwezige eieren uit het nest
te werken, waarover straks. De waardvogels verzetten zich meestal
heftig, soms geholpen door hun buren. Of dit verzet wordt veroorzaakt
door de gelijkenis van de koekoek met een roofvogel en de glijdende
stootvogelachtige nadering is niet helemaal duidelijk. Soms lukt het
de waardvogels het koekoekswijfje te verdrijven, maar ze komt altijd
terug en tenslotte ziet ze toch kans haar ei in het vreemde nest te
deponeren. Vaak komt zij in het begin van de middag, wanneer veel
vogels slapen en er minder deining ontstaat, of ze observeert een
leggende vogel die nog niet vast zit. Daarbij maakt ze gebruik van nóg
een aanpassing: ze legt haar ei in 2 tot 8 seconden, veel sneller
dus dan andere vogels. Vaak gooit ze een ei van de waardvogel uit het
nest. Is de nestopening te klein, zoals bij de kwikstaart of fitis, dan
maakt ze die groter of kapot, met het gevaar dat de waardvogel het nest
soms in de steek laat.
Onze inheemse koekoek (Cuculus canoris) is grijsbruin met een witbruin
gesperwerde borst en een licht gekromde, iets overbijtende snavel. Geen
wonder dat hij voor ecn roofvogel wordt aangezien wanneer hij in
stootvlucht op zijn doel afwervelt. In wezen is hij een alleseter met
een voorkeur voor insecten, vandaar dat het wijfje haar ei uitsluitend
aan insecteneters te leen geeft. Vooral grote, harige, door andere
vogels versmade rupsen kneust hij eerst met zijn snavel, slingert ze
daarna snel rond, zodat het darmkanaal eruit vliegt en eet ze dan op.
Op den duur zitten de rupsharen als een borstel in zijn maagwand
geprikt, die dan periodiek wordt afgestoten en uitgebraakt.
Onze koekoek overwintert in Afrika, zwermt in april als nachtvogel over
heel Europa en Azie uit, uitgezonderd de toendra's en woestijnen. In
Nederland verblijft hij in alle landschappen, met een voorkeur voor
moerasbos, waarin tot 2 territoria per 100 ha voorkomen. Hij is daarbij
bijzonder honkvast en iedereen die het geluk kent in zijn naaste
woonomgeving een koekoek te hebben zal in het voorjaar blij verrast
zijn vinger opsteken en zeggen: "Onze koekoek is weer terug!"
Bron: IVN Vecht en Plassengebied