De buizerd
De buizerd houdt zich meestal op in halfopen cultuurland
nabij bossen.
Buizerds uit noordelijker streken komen hier om te
overwinteren. Naar schatting zijn dat 75.000 buizerds.
Bedreigd of niet? De opmerkelijke opmars van de buizerd.
De buizerd heeft zijn trek naar het westen voltooid. Van
een schuwe, zeldzame bosbewoner uit het oosten van het
land veranderde deze middelgrote roofvogel in een
alledaagse verschijning in heel Nederland. Het aantal
broedgevallen steeg van 1650 eind jaren zeventig, tot
momenteel naar schatting acht- tot tienduizend paren.
'Een verbazingwekkende opmars', aldus Rob Bijlsma van de
Werkgroep Roofvogels Nederland. 'Maar het is wel de
enige roofvogelsoort waar het zo goed mee gaat, de rest
blijft qua populatie ongeveer constant of gaat in aantal
achteruit.' Waarom het juist de buizerd zo voor de wind
gaat, is volgens hem niet helemaal duidelijk.
Dat deze roofvogel het hier naar zijn zin heeft, is
echter onmiskenbaar. Zeker in de winter valt op hoeveel
buizerds er in Nederland vertoeven. Langs de snelwegen
of in weilanden: overal zijn deze karakteristieke
roofvogels te zien - ruim vijftig centimeter hoog,
overwegend donkerbruin met lichte vlekken op de borst.
Hoewel de dieren met hun brede vleugels uitmuntend
kunnen zweven op de luchtstromen, zitten ze meestal op
een paaltje of tak om vandaar de omgeving in de gaten te
houden, op zoek naar een maaltijd. Buizerds zijn niet
kieskeurig, en dat verklaart volgens Bijlsma deels hun
huidige succes. De vogels zijn dol op veldmuizen, maar
als die schaars zijn, willen ze ook best door het
weiland struinen om een maaltje wormen op te pikken of
wat larven te verorberen. Verder staan slangen, hazen,
konijnen, kikkers maar ook dode vis en vooral veel aas,
bijvoorbeeld verkeersslachtoffers, op het menu. Volgens
D. Jonkers van het onderzoekstinstituut Alterra in
Wageningen heeft de enorme uitbreiding van het wegennet
de buizerd dan ook geen windeieren gelegd.
Ook op andere fronten heeft de buizerd zich ontpopt als
een echte cultuurvolger. 'Hij lijkt minder schuw dan
vroeger, laat zich niet zo makkelijk meer verjagen door
menselijke aanwezigheid. Neem het Amsterdamse Bos, daar
broeden zo'n vijftien paar', aldus Bijlsma.
Bovendien broeden buizerds meer en meer op plaatsen waar
ogenschijnlijk helemaal geen geschikte nestelplaats
voorhanden lijkt. De vogel heeft ongetwijfeld
geprofiteerd van de herbebossing na de kaalslag
gedurende de Tweede Wereldoorlog, denkt Jonkers. Die
bomen zijn nu op hoogte. Maar als er voldoende voedsel
is en de beste nestelbomen zijn al vergeven, dan willen
de vogels ook best water bij de wijn doen. Het klassieke
beeld van buizerds die uitsluitend diep in het bos
nesten bouwen in hoge bomen, is dus aan herziening toe.
Bijlsma beaamt dat: 'Buizerds broeden tegenwoordig ook
in hoogspanningsmasten en solitaire eiken. In het Friese
veenweidegebied - dat is gras, gras en nog eens gras -
hebben we zelfs al een nest op de grond gevonden.'
De opmerkelijke opmars van de buizerd is de vrolijke
apotheose van de zwarte jaren zestig. Toen werden de
Nederlandse roofvogels gedecimeerd, met name door het
gebruik van het bestrijdingsmiddel DDT, maar ook door
gerichte vervolging door jagers die de konijnen, hazen
en fazanten graag voor zichzelf hielden.
Toen DDT werd verboden, nam de buizerd tot eind jaren
zeventig zijn oorspronkelijke verspreidingsgebied weer
in. Daarna rukte de roofvogel op richting westen. Om de
verspreiding van vogels te volgen is Nederland door
biologen ingedeeld in ongeveer 1650 hokken van vijf bij
vijf kilometer.
Midden jaren zeventig waren er in 630 daarvan één of
meer buizerdnesten aanwezig. Er waren toen 1650
broedgevallen, vijftien jaar later, rond 1990, waren er
al ruim 5000 broedparen in bijna 960 hokken. Momenteel
is het aantal broedparen opgelopen tot tegen de
tienduizend in 1317 vijf-kilometerhokken.
In de winter lopen de aantallen buizerds in Nederland
overigens op tot zo'n 75 duizend, schat Bijlsma. De
Nederlandse vogels, aangevuld met de net opgegroeide
jongen, blijven doorgaans in eigen land. Maar ze krijgen
duizenden overwinterende collega's op bezoek uit de meer
noordelijke streken van Duitsland en uit Denemarken. Die
komen meeprofiteren van het dichte Nederlandse wegennet.
(Uit de Volkskrant van 22 februari 2000)
Bron: IVN Vecht en Plassengebied (http://www.geocities.com/ivn_vecht_en_plassengebied/index.html)