Het Saterland, Sagelterland of it Sealterlân is het enige gebied waar het Oostfries nog gesproken wordt. Het is ook het enige Friese gebied dat in na de reformatietijd katholiek gebleven is. Daardoor is de Middeleeuwse Friese Carolus - Jacobustraditie er beter bewaard gebleven dan in de Lutherse en Calvinistische Friese landen.
Het Saterland maakte lange tijd deel uit van het Bisdom Münster Na de Franse tijd kwam het bij het Hertogdom Oldenburg en later het Koninkrijk Pruisen. Nu is het een deel van het Land Nedersaksen. Het is een zelfstandige gemeente met een dertienduizend inwoners. Hiervan spreken rond twee duizend nog de oude Friese taal.
De Saterlanders hebben naam gemaakt als 'Das kleinste Sprachinsel Europa's' en als zodanig een plaatsje veroverd in het Guinnes Book of Records. Ramsloh of Rommelse is de hoofdplaats. Daar staat het raadhuis,met het gemeentewapen waarin Karel de Grote troont, en de grote neo-gotische Sankt Jacobuskirche.
Over de oorsprong van de Sealterlanders is veel gespeculeerd. In de negentiende eeuw dacht men dat de bewoners de laatste continentale Angelsaksen waren. Ze zouden zijn achtergebleven toen de hoofdgroep van het volk naar Brittannnië overstak.
Tegenwoordig neemt men aan dat in de twaalfde eeuw Friezen uit het Brockmerland in Oostfriesland, misschien onder invloed van de overstromingen daar, zich in het ontoegankelijke gebied langs de Sagelter Eems kwamen vestigen. Ze ontgonnen de zandrug langs het riviertje en leefden van landbouw en visserij. De veenstreken naar het oosten en het westen leverden turf als brandstof en uitvoerprodukt.
Hoewel het 'Sagelterland' politiek deel uitmaakte van het Bisdom Münster bleef het, door zijn zeer geïsoleerde ligging, cultureel georiënteerd op Oost Friesland. Hoewel de Bisschop voortdurend probeerde er zijn wereldse macht te vestigen, met de daarbij horende belastingplicht en heerdienst, gelukte dat hem en zijn drosten nimmer. (Geestelijk resorteerde het Saterland nog lang onder het bisdom Osnabrück.) Het gebied was in die tijd over land slechts in de winter bereikbaar. Ook de voor buitenstaanders onverstaanbare taal vergrootte het isolement in cultureel opzicht.
De Saterlanders bewaarden hun betrekkelijke zelfstandigheid, hun eigen maten en gewichten, en hun rechtspraak van Friese oorsprong tot de Napoleontische tijd.
Daarbij beriepen zij zich op de oude Friese vrijheden zoals die door Karel de Grote aan hun voorouders waren geschonken. De Saterlanders noemden zich 'Charle Freye Fresen'. Net als in het Brockmerland, in Zeerijp en in Franeker, stond in 'Sagelte' achter Karel zijn machtige hemelse opdrachtgever en steun: de apostel Jakobus. Hij was de hemelse garant voor de Friese Vrijheid. In de andere Frieslanden had deze Carolus-Jacobus 'mythologie' sedert de late middeleeuwen haar zeggingskracht verloren. In het Münsterse was dat anders. Misschien was men er traditiegevoeliger. Het Bisdom beleefde zichzelf als een onderdeel van het Heilige Rooms Duitse Keizerrijk, en aan de basis van eigen macht en zelf verstaan lagen soortgelijke tradities.
De Franse tijd maakte overal een einde aan oude voorrechten en vrome miten en legenden. De soldaten van Napoleon vernietigden de beroemde kist in de Sint Jakobskerk in Ramsloh waarin de privileges, maten en gewichten, bewaard werden.
Ook de latere Oldenburger en Pruisische heren lieten zich weinig gelegen liggen aan de Sagelter rechten en vrijheden.
In de tijd van het Nationaal Socialisme moest in het wapen Karel de Grote plaats maken voor een dubbele adelaar met 'pompebledden' maar in 1952 kwam de Keizer terug.
In de laatste jaren deelt het vroeger zo arme Sagelterland in de welvaart van de Bondsrepubliek. Vlag en wapen op het nieuwe gemeentehuis tonen 'Carolus Rex' die de Friezen hun vrijheid gaf. Bij de Sankt Jacobuskirche in Ramsloh is een kring van zwerfkeien geplaatst; herinnerend aan de vroegere dingplaats waar door 'de Twaalf' samen met de eigenerfde boeren onder de oude gerechtslinde het Friese recht werd gesproken.
In de kerk is in een replica geplaatst van de oude kist, er wordt nog gewerkt aan de gereconstrueerde inhoud met documenten en voorwerpen.
In het plaveisel voor de kerk zijn de Pelgrimsschelp en het Jacobuskruis ingelegd. Zo is in Ramsloh duidelijker dan waar ook elders in de Friese landen de mytische band tussen Karel de Grote, de Apostel Jacobus en de Friese vrijheid zichtbaar gemaakt:
'durch diesen Ortsheiligen (Jacobus)....hielt das kleine Gebiet zusammen....Er war geradezu ein 'soziales Bedürfnis'...., ein Stück der Region, ein Teil de Identität. Mit ihm drückten die Saterländer ein Selbstverständnis aus. (Jozef Möller)
Door deze beschermheilige werd het kleine gebied bijeengehouden. Hij was een sociale behoefte, Hij hoorde bij de regio en was een stuk van haar identiteit. Met hem gaven de Saterlanders uitdrukking aan hun identiteit.(Jozef Möller)
Tot 1898 stond in het centrum van Ramsloh de twaalfde-eeuwse bakstenen kerk. Het was een bouwwerk van het Oostfriese type. Het rechthoekige, eenbeukige schip bezat geen absis. De kerk was later verhoogd ten behoeve van het aanbrengen van de gewelven. De toren, die oorspronkelijk op Oost-Friese wijze losstond, was nauwelijks hoger dan het schip. In de muren een variatie aan vensteropeningen uit de verschillende stijlperioden. Het interieur was sober en tegen de tijd van de afbraak zeer vervallen. In de kerk stond een Jacobusbeeldje uit de vijftiende eeuw dat nu een plaats gekregen heeft in de noordbeuk van het dwarsschip van de nieuwe kerk. Het is een mooi middeleeuws Friese Jacobusbeeld.
Op 14 oktober 1900 werd de nieuwe neo-gotische kerk ingewijd. Bouwmeester was Prof. Aug. Rincklake uit Münster. De nieuwe kerk is een ruime licht hallenkerk zoals die in die tijd in Westfalen zoveel gebouwd zijn.
De parochie schafte een nieuw hoofdaltaar aan waarop een nieuw beeld van Jacobus in de stijl van de eeuwwisseling geplaatst is. Daarnaast is de patroon van de pelgrims en de reizigers te zien in een glas in loodraam boven het orgel aan de westzijde. Als de kerkgangers het gebouw verlaten lopen ze over de reeds vermelde Jakobsschelp en het Santiagokruis voor de poort. Levensweg en pelgrimsweg worden zo met elkaar verbonden. Het pad tussen het gemeentehuis en de Kerk heet het 'St.-Jakobus-paad'.
Mede door de tegenwoordig ook in Duitsland zeer populaire pelgrimage naar Galicië is de Jacobusverering in het Saterland herleefd. De band met Karel en de Friese vrijheid wordt echter niet meer bewust beleefd.