Frjentsjer "Sint Jakobsdag"
1650
In 1677 werd in Harlingen het dagboek gepubliceerd van Foppe Foppes, een zoon van de havenstad, onder de titel: "AANMERKELIJKE VOYAGIE na de OOSTZEE", waarin hij op rijm verslag doet van zijn belevenissen.
Op Sint Jacob 25 juli "oude Stijl" gaan zijn gedachten naar het Franeker van zijn jeugd; omstreeks 1650.
Hij maakt daarbij deze aantekening:
Op Sinte Iakobs-dag, den 25. Van hoimaand, oude stiil, is't te Franeker jaarmarkt, en omdat Harlingen maar anderhalf uir gaans van daar leid, is'er dan een grote toevloeijnge van menschen, zo op wagens, in schepen, als te voet, derwaarts. Het journaal klinkt als volgt:
Zint Jakobsdag loopt t'end,
Waar by de kermis is tot Franeker bekent;
Daar roept men Harling' voort,
't is lang genoeg gesprongen,
geplukhairt vol en dol, van ouden en van jongen:
't Is zekerst in de schuit; de voerman en de wiin,
En't volkjen van die zoort, wil graag te zamen ziin.
Hoe menigmaal heb ik dat pad verheugd bewandeld,
En al wat vreugde scheen in miine jeugd verhandeld
Met meisjes lief en zoet, op wagens of in schuit!
Wat d'eerbaarheid toeliet, dat moest er wilder uit.
O lieve dag! Hoe pleeg ik na u te verlangen!
Het leek of alle vreugd aan u licht scheen te hangen!
Met wat een vroliik hert stapt ik ter poorten uit?
Als of te Franeker een overgrote buit
Voor my te halen was. Hoe is die tiid verdwenen!
Hoe menig jonge maagd is is onderwiil al heenen,
Met velen van miin maats gesturven en verspreid,
Aan vreemde uitgetrouwt, de wonigen verleid?
Dat nauweliiks nu drie ziin by malkaar te vinden,
die eertiids als een bosch van gaargevlochten linden
zich dageliiks byeen vervoegden zeer verbliid:
De blinde jongelingschap is vluchtig voor de tiid.
Het schiint een droom te ziin, wanneer ik eens bedenke
dat my al veertig jaar verby ziin, en ik swenke
Nu naar de viiftig toe. Wat schaad het, 'k ben gezond,
Het is des tiid beloop: God heeft het my gejond,
En spaart my heden noch in miin verstand en leden.
O! Mogt ik, na ziin wil, dien tot ziin eer besteden,
En wandelen op't pad dat recht en heilig is,
Zo raakt ik zonder nood in d'eeuwige kermis,
Daar volle vreugde is, en een zeer liefliik wezen
Aan Godes rechterhand: vreugd noit in't hert gerezen!
Die nimmer einde kriigt.